wuivend en buigend

Als ik woon in het bos hiernaast
neem ik wat ik vind (dat mij toekomt).
Vijftigers fietsen over de paden van het concentratiekamp,
lunchen licht en wijzen elkaar de barak
waar Anne nog batterijen verzamelde.
Kom. Samen op de foto.
Ik herinner mij niets.

Het bos levert mij bramen.
Het doodgeboren kalfje op het erf van de boer
een kilometer verderop, de geur en het licht
van de ligboxstal ‘s nachts veiligheid.

En als ik loop, acht of negen uur per etmaal,
(in het donker klinken mijn natte broekspijpen
als honden die me achtervolgen!)
stap ik soms ongezien –gewaand- een veld in
en breek me wat mais.
Op akkers kijk ik om me heen
voor ik een paar aardappels pak.

Niemand ziet mij als ik de was doe in de rivier,
(en mijn enige goede overhemd in de ketting van m’n fiets krijg)
niemand ziet mij als ik kook
(langdurig de voedermais en pootaardappelen kook)
en eet. (niemand dan Philip Mechanicus)

Ik ben muzikant. ik ben zo blij. mijn boek is klaar. mn uitgever helpt me. www.uitgeverijpetrichor.nl